Hella van t Hof: a.b.w. 2010, borduurwerk, 22 x 50 cm.
|
|
Vrouwencollectief ‘Landschrift’ laat zich inspireren door het landschap.
HET LANDSCHAP IN ZES GEDAANTEN
Dat vrouwen vóór de jaren zestig van de vorige eeuw een achteruitgeschoven, beperkte rol speelden in de beeldende kunst is niet verwonderlijk. De emancipatie had ze nog niet uit de keuken gehaald. Mannen konden niet alleen bepalen wat ze zelf wilden, ze konden ook nog bepalen wat ze van hun vrouw wilden. Geloof en gezag zorgden voor de broodnodige legitimatie.
Meer nog dan bij vele andere beroepen hebben de vrouwen in de beeldende kunst die situatie definitief achter zich gelaten. Ze mogen dan nog steeds minder presenteren en nog steeds minder verdienen dan hun mannelijke collega’s – de Amerikaanse Guerrilla Girls laten geen gelegenheid onbenut om dat te benadrukken in luidruchtige publicaties en niet te missen posters - in aantal zijn ze de mannen inmiddels voorbij gestreefd.
Tegen die achtergrond mag het tenminste opmerkelijk heten dat vrouwelijke kunstenaars bij bepaalde genres nog altijd zwaar ondervertegenwoordigd zijn. Landschappen worden vrijwel uitsluitend door mannen getekend en geschilderd. Waarom is mij niet duidelijk. De Engelse feministe Germaine Greer deed een verklarende suggestie in een recente bespreking van het werk van Thérèse Oulton, één van de bijna winnaars van de Turner Prize van 1987. Greer suggereert dat aan het landschap in de loop der eeuwen bewust een hoge autoriteit is toegekend, die in de praktijk werkt als een haast onneembare drempel voor vrouwen. Waar of niet – wie ben ik om Germaine Greer tegen te spreken? – feit is, dat de meeste hedendaagse landschapschilders mannen zijn.
Ik weet niet of het kunstenaarscollectief ‘Landschrift’ om die reden ontstaan is. Ik vermoed eerder dat de zes vrouwen die samen dit collectief vormen om praktische redenen en vanuit bestaande vriendschapsbanden de krachten hebben gebundeld. Het zou me evenmin verbazen als de samenwerking werkt als een middel om, direct of indirect, meer invloed te verwerven op de manier waarop hun werken worden gepresenteerd. Een zware ideologie kan ik op hun website niet ontdekken.
In haar materiaalkeuze is Hella van ’t Hof het meest gewaagd. Ze borduurt landschappen op gaatjesboard. Ze slaagt er echter in dat traditioneel vrouwelijke uitdrukkingsmateriaal zo te verwerken en te bewerken dat het ironiseert. Ze ontdoet het juist van zijn Libellelezers tuttigheid. Van dichtbij zijn haar ‘schilderijen’ niet meer dan een kleurige verzameling steken. Pas op afstand tekenen zich de landschappen af. Haar soms cryptische titels lijken dat mysterie te versterken.
José op ten Berg is een kunstenaar die uitzonderlijke en extreme landschappen opzoekt. Ze reist ervoor naar allerlei uithoeken van de aarde. Haar uitdaging is het om op te gaan in die onbekende omgevingen. Thuisgekomen probeert ze die ervaring uit te drukken in schilderijen, meestal in een samenhangende serie van acht of meer. Expressionistisch geschilderde doeken die geen poging doen de werkelijkheid te representeren. Ze willen vooral uitdrukking geven aan het gevoel dat zich van haar meester maakte toen ze ermee geconfronteerd werd. Dat wordt bevestigd in het kleurgebruik. De aangezette kleuren distantiëren zich van de realiteit. Op ten Berg laat ze met succes een eigen leven leiden.
Susan de Boer lijkt het landschap te gebruiken om te experimenteren met ruimte. Ze gaat uit van zelfgemaakte foto’s. Die werkt ze zo uit, dat er altijd sprake is van een voor-beeld en een achter-beeld. Alsof ze een podium, een toneel creëert dat op ieder moment door een groepje acteurs kan worden overgenomen om zijn verhaal te vertellen. Omdat je als kijker voelt dat dat een reële optie is, ontstaat er een sfeer van afwachting en dus van spanning in het werk. De olieverfschilderijen wisselen sterk in formaat. Merkwaardig genoeg wordt het ruimtelijke effect niet wezenlijk beïnvloed door dat verschil in grootte.
Jolanda van Gennip is de meest ‘wilde’ van het collectief. Haar schilderijen hebben soms de allure van wandsculpturen. Bij haar representeert verf niet alleen kleur en vorm maar ook materie en tactiliteit. Het effect van een dergelijke kwistige manier van werken is, dat de perceptie varieert al naar gelang de positie die de kijker inneemt. Lichtval bijvoorbeeld mag zich nadrukkelijk manifesteren. Van Gennip’s schilderijen houden het midden tussen abstractie en figuratie. Bovendien werken ze vervreemdend omdat ze details uitvergroot, zodat de natuurlijke ruimtelijkheid die gekoppeld is aan de werkelijkheid geweld wordt aangedaan. De veelkleurigheid van haar doeken maakt vrolijk. Ik denk dat ze haar werk zo wil voorzien van een ironische of relativerende ondertoon.
Jessica Knoot werkt het liefst op hout, karton of papier. Die materialen passen beter bij haar idee van een landschap. Een samenspel van grillige vormen en kleuren dat slechts in de verte herinnert aan een landschap. Meer nog dan dat van José op ten Berg is haar werk een vertaling van een gevoel. Ze mag dan in haar titels soms verwijzen naar de bron – Noorse landschappen bijvoorbeeld – haar ‘schilderijen’ verraden geen enkele identiteit. In tegenstelling tot dat van Jolanda van Gennip is haar verfgebruik kaal te noemen. De ondergrond mag er doorheen schijnen. Ieder effectbejag is haar vreemd. Het is juist die achteloze soberheid die weet te ontroeren.
Soberheid is een karaktertrek of een eigenschap die ook Will Pluijm lijkt te waarderen. Haar doeken zijn vrijwel kleurloos. Van wit tot crèmekleurig tot heel licht bruin. Ze zijn geschilderd, maar de kwast laat nauwelijks sporen na. Soms komt bij mij de associatie met verbleekte foto’s naar boven. Door voor een dergelijk vluchtig uiterlijk te kiezen, weet ze er het element tijd in te brengen. Zelf vergelijkt ze haar werk met blikken uit een rijdende trein. Momentopnames die geen tijd krijgen om zich te hechten. Dat verklaart waarschijnlijk ook waarom Pluijm kiest voor details van een landschap. De gesuggereerde beweging maakt het onmogelijk een volledig landschap in je op te nemen.
Bij elkaar en met elkaar levert deze tentoonstelling een boeiend geheel op. Iedere kunstenaar hanteert haar eigen ‘landschrift’ waardoor een vaak en sinds lang gebruikt onderwerp toch weer verrassingen oplevert. De durf waarmee ze het genre benaderen zou Germaine Greer goed doen. Mocht het landschap zich machogedrag hebben laten aanmeten, dan hebben deze kunstenaars zich daardoor niet laten afschrikken. Rob Perrée
Amsterdam, mei 2010. |
|

Hella van t Hof: a.b.w. 2010, borduurwerk, 22 x 50 cm.

Hella van t Hof: In gesprek met de wolf, 2006, borduurwerk, 24 x 39 cm.

José op ten Berg: Antarctica 7, 2009, olieverf op hout, 20 x 40 cm.

José op ten Berg: Lemaire Channel, 2009, olieverf op linnen, 30 x 75 cm.

Susan de Boer: zonder titel, 2009, olieverf op doek, 150 x 120 cm.

Susan de Boer: zonder titel, 2010, olieverf op doek, 100 x 100 cm.

Jolanda van Gennip: I m your boogie man, 2009, olieverf op doek, 80 x 70 cm.

Jolanda van Gennip: zonder titel, 2009, olieverf op doek, 18 x 24 cm.

Jessica Knoot: Onweer, 2010, tempera op karton, 16,8 x 29,5 cm.

Jessica Knoot: Zonsondergang, 2010, tempera op karton, 15,5 x 29,5 cm.

Will Pluijm: zonder titel, 2010, gemengde techniek, 12 x 23 x 23 cm.

Will Pluijm: zonder titel, 2010, olieverf op doek, 240 x 60 cm (vierluik).
|