|
‘Al mijn hele leven voel ik mij betrokken bij wat er gebeurt in de wereld. Dit heb ik waarschijnlijk meegekregen van mijn vader die ook beeldend kunstenaar was. Voor de oorlog was hij anarchist. Zo lang ik me kan herinneren vertelde hij bewogen verhalen over recht/onrecht in de wereld. Ook kon ik mij vanaf zeer jonge leeftijd verdiepen in de rijke bron van kunstboeken die bij ons thuis aanwezig waren (ik leerde mezelf als kind hiermee bijvoorbeeld plooien tekenen door te kijken naar de renaissance schilderijen die daar in stonden). De basis van veel van mijn werk is het raster, de ordening die in alle dingen aanwezig is. Mijn vroege werk bestond uit ritmes van lijnen. Lijntjes ontstaan uit fascinatie voor de in de natuur aanwezige geordendheid. Zo gebruikte ik de door een microscoop bekeken vlindervleugels, maar ook de foto's die ik maakte van de vlaktes met wijnstokken in de winter. Dezelfde ordening maar dan door de mens aangebracht. In onze huidige maatschappij wordt ook alles gerubriceerd, in vakjes ondergebracht. Of je wilt of niet, je wordt ingedeeld. Vaak bij iets waar je helemaal niets vanaf weet. Ook gebruik ik foto's die ik in kranten zie. Die me raken, die emoties oproepen. Het raster is de laatste jaren meer naar de achtergrond verdwenen, maar blijft toch aanwezig. De vergankelijkheid van alle dingen deed zijn intrede. Het verval dat in alles al aanwezig is. Al werkend krijgt het werk zijn vorm. Vaak moet ik de opzet, hoe fraai die ook is, vernietigen, me bevrijden van een soort keurslijf, dat ik mezelf had opgelegd. Het werk moet voor mij een zekere onafheid hebben, een ruwheid. Iets definitiefs roept bij mij altijd vragen op'. Marianne Vollmer, oktober 2006 Voor het blad ‘de Nieuwe' van Arti et Amicitiae maakt Marianne Vollmer interviews met beeldend kunstenaars. |